Kauw betekenis & definitie

1. KAUW, v. (-en), (nat. hist.) de kleinste onzer inlandsche kraaien, ook vel kerkkauw en torenka geheeten, en door velen eenvoudig kraai genoemd (corcus monedula): kauwen zijn wakkere, levendige, behendige en schrandere vogels.

2. KAUW, v. (-en), KAUWTJE, o. (-s), hoeveelheid die men in eens kauwt; wat gekauwd is : zij stopte het kleine kind een kauwtje brood in den mond;

— (gew.) tabakspruim.