Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 13-09-2018

Karwei

betekenis & definitie

1. KARWEI, v. o. (-en), zwaar opgegeven werk, harde arbeid: dat is eene heele karwei, om die in een dag af te maken;

— werk, aangenomen werk : hij heeft eene groote karwei aangenomen;
— plaats waar gebouwd wordt: op of naar de karwei gaan;
— (ook fig.) dat is eene heele karwei, dat is niet gemakkelijk, daar is veel werk aan;
— dat zal eene karwei wezen, dat zal moeite kosten. KARWEITJE, o. (-s), kleine karwei; (zegsw.) dat is een mooi karweitje, een voordeelig zaakje.
2. KARWEI, v. (-en), (gew.) (slag.) afval, omloop (zooals het hart, de milt, de lever, de long van eenig dier).