Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 13-09-2018

Kantoor

betekenis & definitie

KANTOOR, o. (...toren), vertrek, kamer, waar een koopman en zijne klerken, waar bestuurders, ontvangers, notarissen enz. hunne werkzaamheden verrichten : mijnheer is op zijn kantoor; het kantoor is geopend van 9 tot 12 uur;

— (fig.) deze notaris heeft een zeer druk kantoor, heeft zeer veel te doen;
— handelshuis, firma : dat is een der voornaamste kantoren in de stad;
factorij, nederzetting (van den handel) de Nederlanders hadden 11 kantoren ter kuste van Guinea,
— studeerkamer, werkkamer; zij zit op haar kantoor, is aan het briefschrijven;
— als je zoo iets wil doen, dan ben je bij mij aan het verkeerde kantoor, dat zal ik niet dulden, niet toestaan;
— (fig.) ik ben nog niet op mijn kantoor, ik ben nog niet op dreef, nog niet in orde;
— hij is daar op zijn kantoor, in zijn element, naar zfin zin;
— daar is hij aan het verkeerde kantoor, hij ie, waar hij niet wezen moet, waar men hem niet kan helpen.
KANTOORTJE, o. (-s).