Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 13-09-2018

Kak

betekenis & definitie

KAK, m. (plat) menschendrek, uitwerpsel; (fig.) behoefte om af te gaan : grooten kak hebben;

— (fig.) (plat) met kak loopen, in verlegenheid zitten; komen gelijk kak, van zelf komen; hij zal zijn kak wel ophouden, zijn plannen wel niet uitvoeren ; (plat) er is kak aan den knikker, die zaak is niet pluis;
— kak maken, drukte, brani maken; hij heeft veel kak op zijn lijf, heeft veel drukte, inbeelding; wat een kak wat eene beweging, praats !