Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 24-02-2020

Jan

betekenis & definitie

Het begrip jan heeft 2 verschillende betekenissen:

1. jan - JAN, m. (-nen), algemeen voorkomende mansnaam; naam in het algemeen gegeven aan iem. dien men niet kent; vandaar: algemeene roepnaam voor koffiehuisbedienden;
— in uitdr. wat Jantje niet leert, zal Jan niet kennen, wat men in zijne jeugd niet leert, weet men op rijper leeftijd niet;
— beter bloo Jan dan doo Jan, beter wat voorzichtig te zijn, dan gevaar of schade te lijden;
— een Jantje lacht en Jantje huilt, gezegd van een kind dat spoedig huilt en ook weer gauw lacht; (ook) kaatsbal met twee gezichten (een huilend en een lachend);
— daar is ouwe Jan en jonge Jan ir., gezegd van eene lade of kast waar van alles in is;
— uitroep van venters op het ijs : heete melk en koude Jan (jenever) of zoete Jan (koek);
— Jan-in den zak, koek in den zak, zie KOEK;
iets brengen bij Ome Jan, in een pandjeshuis, in den lommerd;
— Jan en Alleman, iedereen;
— den Jan uithangen, den mijnheer spelen;
— de groote Jan zijn, veel drukte maken, veel noten op zijn zang hebben:
dan is het een heele Jan, dan is hij het ventje;
— een rechte Jan, een baas, een snoever;
— een Jan van een appel, een zeer groote appel;
— een Jantje (of Jannetje), een waaghals, iem. die durft;
— ’t is een slap Jantje, iem. aan wien men niets heeft;
— (gew.) die schipper is baas Jan, is klaar, heeft al geladen, kan wegvaren;
— die obligatiën zijn bij Jan, zijn geplaatst, worden genomen;
— boven Jan zijn, de helft der punten hebben die men maken moet of kan (in het kaartspel enz.); (ook) de grootste moeilijkheden te boven zijn; (ook) binnen zijn zijne schaapjes op het droge hebben;
— klein Jantje, het winterkoninkje;
— in gefingeerde eigennamen, waar van enkele aaneengeschreven worden, zie janhen, jangat, janhagel, jansalie enz. : Jan Allemachtig, excavateur, zandgraafmachine;
— Jan Compagnie, personificatie der Oostindische Compagnie;
— Jan Contant, een solide koopman;
— een Jantje Contrarie, die altijd tegenspreekt of anders handelen wil;
— Jan Courage, personificatie van den onverschrokken zeeman;
— Jan Crediet, personificatie van den koopman, die op alle markten vertrouwen geniet, crediet heeft;
— Jan Doetal, iem. dien men voor allerlei werk gebruikt;
— Jan Draagan, iem. die heel goed helpen kan, maar niet zelfstandig werken;
— Jan Kalebas, een opsnijder, iem. die zich groot voordoet;
— eene rekening van Jan Kalebas, eene lange, uitgedijde rekening; inz. eene rekening, waaruit men niet wijs kan worden; eene redeneering van Jan Kalebas, van veel woorden zonder zin, dwaas en onlogisch;
— Jan Klaassen, de held uit de poppenkast; -(ook) een stijf, onbeholpen man;
— wijn van Jan Langarm, water uit de pomp;
— zich met een Jantje van Leiden ergens van afmaken, met een smoesje, een mooi praatje;
— Jan Moeial, iem. die zich in alle zaken mengt;
— Jan Pappelepap, slappe Jan, iem. aan wien men niets heeft;
— Jan Potage, hansworst; hij speelt er mee, als Jan Potage met zijne muts, hij bedient zich van eene uitdrukking, een tekst, eene stelling, zooals het hem in zijne kraam te pas komt;
— Jan Pret, een vroolijke Frans;
— Jan Rap en zijn maat, het gemeene volk, janhagel, gespuis;
— Jantje Rechtuit, iem. die geen omwegen maakt, in alles openhartig handelt;
— Jan de Rijmer, personificatie van den pruldichter;
— hij is een Jantje Secuur, hij is kleingeestig nauwgezet;
— Jantje Stapnetjes, gezegd van iem. die met kleine voorzichtige stappen loopt;
— een Jan Stapallemachtig maakt zeer groote passen;
— Jan de Wasscher, held van een oud blijspel, die voor zijne vrouw al het keukenwerk doen moet, dwaze pantoffelheld. (ook) uilskuilen, domkop;
— Jan Weetal, een neuswijze;
— jongens van Jan de Witt, flinke jongens, voor geen kleintje vervaard, die de handen uit de mouw weten te steken;
— een Jantje zonder erg, een onnoozele hals; -
— Sint Jan, Johannes de Dooper; gedenkdag van dien heilige op 21 Juni.

2. jan - JAN, m. (-nen), jan, eene soort van aardappel; Brielsche Jannen.