Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 13-09-2018

Jager

betekenis & definitie

JAGER, m. (-s), die op de jacht gaat of is;

— lichte keurinfanterie, soldaat, tot een jagerbataljon behoorende;
— jagers te paard, behoorden vroeger in ons land tot de lichte cavalerie;
geleider van het paard, dat eene schuit voorttrekt;
— schip, dat op een ander jacht maakt;
— een haringjager: zeker snelzeilend vaartuig (nu eene stoomboot) dat de eerste haring overbrengt;
— (zeew.) jagers. vooruitschietende kanonnen;
— (nat. hist.) eene soort van roofmeeuw (siercorarius) met forschen romp, kleinen kop en krachtigen snavel; zij zwemmen goed doch vliegen nog beter en vallen alle dieren aan die zij overweldigen kunnen; de vier bekende soorten worden ook in ons vaderland waargenomen: de groote, de middelste, de kleine en de kleinste jager;
— jachtplaat; eene plaat, die men voor de schoorsteenen stelt, om er jacht in te verwekken en ze zoo beter te doen trekken;
aanjager: ijzeren voorwerp, dat men voor den vuurhaard van een franklin hangt. JAGERES, v. (-sen), JAGERIN, v. (-nen), jaagster, vrouw die jaagt; jachtgodin.