Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 13-09-2018

Invallen

betekenis & definitie

INVALLEN, (viel in, is ingevallen), naar binnen vallen, in iets vallen; (ook fig.): het licht moet van links invallen;

— de invallende lichtstralen;
— een inval doen (in een land);
— plotseling verschijnen (in eene woning);
binnenloopen, binnenschieten (van schepen in eene haven);
— in de rede vallen;
— (muz.) hier moet de bas invallen, zich eensklaps bij de andere stemmen laten hooren;
— de dooi is onverwachts ingevallen, begonnen;
— met invallende duisternis, wanneer het duister wordt;
— een vroeg invallende Paschen, een Paschen, die vroeg in het jaar komt;
— indringen (van de zonnestralen);
— een inval krijgen : dit is mij zoo even ingevallen, deze gedachte is zoo even bij mij opgekomen: dat viel mij te laat in; zijn naam wil mij naar niet invallen, te binnen schieten; eene invallende gedachte;
— ineenvallen, instorten: het huis viel in; (fig.) de zieke is weer ingevallen;
— inzinken, inzakken : de vloer viel in;
— (fig.) hare wangen zijn ingevallen; ingevallen oogen;
— door vallen breken : het kind viel de hersens in. INVALLING, v. het invallen.