Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 13-09-2018

Innemen

betekenis & definitie

INNEMEN, (nam in, heeft ingenomen), naar binnen nemen, opnemen en naar binnen brengen : neem het (wasch)goed in, want het regent;

— in huis nemen : een reiziger innemen; niemand wilde hem innemen;
— krijgsvolk innemen; de stad weigerde bezetting in te nemen, binnen hare muren te ontvangen;
— laden : het schip moet nog steenkolen innemen; we moeten hier een paar passagiers innemen;
— tot zich nemen, gebruiken (van geneesmiddelen) : hij neemt' kinine in;
— (iron.) hij is goed van innemen, kan smakelijk eten;
— inwinnen : goeden raad innemen;
— (zeew.) intrekken, inkorten ; de zeilen innemen;
— (naaist.) innaaien, nauwer maken : den rug van deze jas moet gij eens wat innemen;
— bezetten, beslaan : die tent neemt de helft van het plein in; veel plaats innemen;
— eene zitplaats innemen, willekeurig en eigenmachtig in bezit nemen of met het verlof er tijdelijk van gebruik te maken;
— (fig.) eene eigen plaats innemen, niet gelijk zijn aan de rest;
—iemands plaats innemen, voor hem in de plaats komen, hem vervangen;
— (fig.) een zeker standpunt innemen; (fig.) vervullen : de droefheid neemt zijn hart in;
— met geweld nemen, zich meester maken (van), veroveren, bemachtigen : de vijand heeft de stad stormenderhand ingenomen;
— met zachtheid winnen: hij wist haar voor zich in te nemen, hare genegenheid te winnen;
— tegen zich innemen, ongunstig stemmen : door zijne stugheid neemt hij iedereen tegen zich in; voor of tegen iem. innemen, iem. ten gunste of ten nadeele van een ander stemmen : men heeft den minister tegen hem ingenomen, zie INGENOMEN, INNEMING, v. het innemen, de inname.