Hoog betekenis & definitie

HOOG, bn. bw. (-er, -st). ver opwaarts reikende, verheven (het tegenovergestelde van laag): een hooge berg; hooge boomen; een hooge toren; een huis met hooge vertrekken; een hoog gevaarte; een stapel van drie voet hoog; — eene slagorde van vijf man hoog, van vijf gelederen; geweer hoog!, zeker militair commando; — hoog wappert de driekleur, van eene hooge plaats; de hooge hemel; uit den hooge, van den hemel; — eene hooge zee, die door den wind is opgezweept; — het water staat hoog, het is hoog water, het peil is boven het gewone gerezen; (scherts.) het is bij haar hoog water, zij is op het punt van te gaan schreien, (ook) zij moet noodig urineeren; — dat land ligt hoog, steekt boven het omringende land uit; een hooge akker; hooge en lage venen; — ook in tal van plaatsnamen, als: Hoog-Blokland, Hoogeveen, Hoogland, Hoogmade, Hoogstade, Hoogwoud, enz.; — wij zitten hier hoog en droog, (eig. wij hebben voor geene overstrooming te vreezen) we zijn hier veilig; — het huis staat hoog uit den grond, rust op pilaren die een eind boven liet maaiveld uitsteken; — (Zuidn.) op het hoogste wonen, op de bovenste verdieping; — (ook van de geographische ligging van eene plaats, naar de voorstelling op kaarten enz., waar het N. boven ligt): het hooge Noorden; — de wind is hoog zuiden, zoo zuidelijk mogelijk: — de wind is hoog, is aan den hoogen kant, is Noord, Noordoost of Noordwest; — hoog in, aan den wind loopen, varen met gespannen zeilen; — de zon staat reeds hoog aan den hemel (of het is hoog dag), de zon is reeds lang op; — het is hoog tijd, meer dan tijd; — de hooge maanden, die waarin de zwangerschap ver gevorderd is; — een hoogen ouderdom bereiken, op hoogen leeftijd sterven, zeer oud worden: — de thermometer staat hoog, een hooge thermometerstand, als het kwik hoog gerezen is; — hooge koorts hebben, hevige koorts hebben, koorts waarbij de koorts-thermometer hoog rijst; — eene stoommachine van hooge drukking, waarvan de drukking die van vier atmosferen overtreft; — (van den lichaamsgroei) iem. van eene hooge gestalte, een lang. rijzig persoon; — (van lichaamsdeelen) een hoog voorhoofd; een hooge rug, een bochel; zij is wat hoog in de schouders, hare schouders staan te veel naar boven; — (fig.) het hoofd (of hart) hoog dragen, fier, trotsch zijn; — hij ging er op hooge pooten (of beenen) heen, in volle verontwaardiging, met het plan eens flink de waarheid te zeggen; — dat paard is hoog op de beenen, heeft lange pooten; — (fig.) het ligt hem hoog, het gaat hem zeer ter harte; — het zit hem hoog, hij kan het niet verkroppen, is er zeer verbitterd over; — iets hoog opnemen, het zeer kwalijk nemen; — hoog met iem. (weg)loopen, hem vereeren, op handen dragen; — de kunst hoog houden, in eere houden; — de verwachting hoog spannen, veel verwachting van iets hebben; — zijne eischen hoog stellen, veeleischend zijn; — hoog staan, een edel, nobel mensch zijn; (ook) uitmunten in eenige kunst; hoog aangeschreven staan, gunstig bekend staan, een goeden naam hebben: — in hooge achting staan, algemeen geacht worden, zeer gewaardeerd worden; — niet hoog tegen iem. opkijken, niet veel verwachting van hem hebben; — hooge gedachten van iem. hebben, zeer gunstig over hem denken; — een hoogen dunk van zichzelven hebben, een overdreven gevoel van eigenwaarde hebben; — hij is hoog in zijn wapen, (Zuidn.) hij heeft het hoog op, hij is trotsch; — niet hoog vliegen, laag bij den grond blijven, inz. van iem. wiens kennis niet ver reikt; — hij timmert niet hoog, hij heeft weinig verstand; — het gaat mij te hoog, het gaat boven mijne bevatting, ik kan er niet bij, kan het niet volgen; — de twist rees hoog, werd hevig; — hooge woorden met iem. hebben, hoogloopende ruzie; — het hoogste woord voeren, een groot woord hebben, voortdurend praten; — het hooge woord moest er uit, het woord waarop het aankwam, de bekentenis; — hoog spreken, gemaakt spreken; — (muz.) de hooge tonen, die tonen, welke de meeste geluidstrillingen maken in de seconde; — eene hooge stem, zangstem die hooge tonen kan grijpen, (ook) eene pieperige, schelle stem; — die viool is te hoog gestemd, hooger dan de juiste toonhoogte; — hooge deunen zingen, luid en aanhoudend zingen; — op hoogen toon iets eischen, op aanmatigenden, trotschen, bevelenden toon; — hooge kleuren, donkere, harde kleuren (vgl. hooggeel, hoogrood); — zij had eene hooge kleur, zij zag rood (van de warmte, van hartstocht, van inspanning enz.); — (van graad) groot, hevig, zwaar enz.: hij werd veroordeeld tot de hoogste straf; het heeft hooge waarde; eene hooge som; het perceel werd hoog ingezet, de verkooper begon met er eene hooge som voor te bieden; een hoog bod; hij vraagt er een hoogen prijs voor; hoe hoog is dat huis getaxeerd?; hij behoort tot de hoogst aangeslagenen in de provincie, tot hen die de meeste belasting betalen; — de aandeelen, de fondsen staan hoog, zijn voor een hoogen prijs genoteerd; hooge cijfers; hooge kaarten, azen, heeren, enz.; — een hoog spel, (b. v. bij het kaartsp.) waarbij men iets belangrijks annonceert; hoog spel spelen, (fig.) iets gewaagds ondernemen;-hoogst, ten zeerste, uitermate: gij zijt hoogst welkom; hij was hoogst verbaasd; — ten hoogste (of op zijn hoogst), in het uiterste geval, op zijn meest: het kan u ten hoogste een rijksdaalder kosten; — uitstekende (in rang, macht enz.): hij is van hooge geboorte, van aanzienlijke afkomst; — de hoogere standen, de aanzienlijken (in tegenst. met het volk); eene hooge waardigheid; — hij heeft eene hooge betrekking; — de hooge oomes, hooggeplaatste personen; — hij was gezien bij hoog en laag, bij aanzienlijken en geringen, bij iedereen; — de hooge adel, de hooge geestelijkheid, de aanzienlijksten onder de edelen en geestelijken; — hooge gasten, aanzienlijke gasten; — de Hooge Raad, het opperste gerechtshof, het hof van cassatie; — de Hooge Raad van Adel, die over zaken betreffende den Nederl. adel wordt gehoord; — eene hoogere macht, eene macht die boven ons gesteld is; — van hooger hand, zie HAND; — op hoog bevel (verzoek enz.). op last (verzoek enz.) van den vorst; — eene hooge eer; eene hooge onderscheiding; — het hoogste goed, de hemelsche zaligheid; — een hooge feestdag, een belangrijk kerkelijk feest, b. v. Paschen en Pinksteren; — een hooqe dienst, plechtige lijkdienst of uitvaart; — de hooge rechtspraak, (hist.) die de doodstraf kan uitspreken (in tegenst. met de lage rechtspraak, die alleen kleinere misdrijven en civiele zaken berecht); — hooger onderwijs, universitair onderwijs; eene hoogere burgerschool; hoogere wiskunde, enz.; — dat is hooge kunst, kan niet door ieder gewaardeerd worden; hoog goud, goud van uitstekende qualiteit, dukatengoud; — —, o. het hoog, gebied van hooge drukking; — eere zij God in den hoogen, in den hoogen hemel; — slaat uw oogen naar den hoogen, ten hemel: — (gemeenz.) ‘t is een hooge, een hooggeplaatst persoon, inz. een hoofdofficier.