Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 12-09-2018

2018-09-12

Hom

betekenis & definitie

1. HOM, v. (-men), benaming van twee klieren in den buik der mannetjes van de beenige visschen, zijnde de voorteelingswerktuigen: heb je baars met eene hom of met eene kuit?; met hom en kuit, met alles en alles;

— mannetjesvisch, hommer. HOMMETJE, o. (-s).
2. HOM, v. (-men), (naaist.) (gew.) geplooide strook (aan een overhemd).