Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 12-09-2018

2018-09-12

Hokken

betekenis & definitie

HOKKEN, (hokte, heeft gehokt), bij elkaar hokken, dicht opeen zitten; hij hokt altijd bij het vuur, zit ineengedoken bij den haard, is kouwelijk; hij hokt altijd thuis, gaat nooit uit;

— zij hokken samen, (van ongetrouwde lieden) leven als man en vrouw;
— haperen, stuiten; daar hokt het; de hamer hokte;
— (bij sommige kaartsp.) het hokt, als de opvolgende kaart ontbreekt;
— (gew.) het opzetten der hokken of schooven op het land.