Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 12-09-2018

2018-09-12

Hofwachter

betekenis & definitie

HOFWACHTER, m. (-s), tuinbewaarder, tuinbaas;

...ZANGER, m. (-s), volksbenaming van eenige zangvogels: de groote hofzanger, tuinfluiter (sylvia hortensis); de kleine grijze hofzanger, braamsluiper (sylvia curruca); de kleine gele hofzanger, fitis (phyloscopus trochilus); en de groote gele hofzanger, citroentje, geelbuikje, spotvogel (hypolais icterina);
— (ook) zanger die voor het hof zingt.