Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 12-09-2018

2018-09-12

Hofhoorig

betekenis & definitie

HOFHOORIG, bn. (hist.) tot een hof of hoeve behoorende en daarmede vervreemdbaar. HOFHOORIGE, m. en v(-n), onvrije, die hofhoorig is. HOFHOORIGHEID, v. de toestand van hofhoorig te zijn.