Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 12-09-2018

2018-09-12

Hoesten

betekenis & definitie

HOESTEN, (hoestte, heeft gehoest), den hoest hebben: hij hoest den heelen dag; die rook brengt mij aan ’t hoesten; hoestende den adem uitstooten: hoest me niet in mijn gezicht; bloed hoesten, bij of door het hoesten bloed opgeven; (gew.) ik zou je wat hoesten, ik doe het niet, ik geef er den brui van; ik hoest hem wat, ik bekreun mij niet om hem; gij hebt goed binnengepakt, mijn vriend! ge zult nu geen zand hoesten.