Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 12-09-2018

2018-09-12

Hoest

betekenis & definitie

HOEST, m. eene door prikkeling van het slijmvlies der luchtwegen veroorzaakte plotselinge uitstooting van lucht, die gepaard gaat met een eigenaardig geluid; inz. als ziekelijke aandoening: een droge hoest; een schorre, een kuchende hoest; een losse hoest, die los zit, die den lijder geen pijn doet;

— (fig.) ik heb er den hoest van, ik heb er genoeg van, ik ben het moede; (ook) ik geef er niet om. HOESTJE, o. (-s), hoest, manier van hoesten: je hebt een raar hoestje over je, gehoest op eene vreemde wijze.