Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 12-09-2018

2018-09-12

Hoef

betekenis & definitie

1. HOEF, m. (hoeven), eene hoornachtige massa aan het einde van den voet van verschillende dieren: gespleten en ongespleten hoeven; een platte, een weeke hoef; (inz. van het paard) het ros sloeg met de hoeven op den grond; een ver verwijderd geluid van hoeven;

— hoefijzer; hoefmagneet;
— (bij vergelijking) als benaming van zekere plant, hoefblad. HOEFJE, o. (-s).
2. HOEF, v. zie HOEVE.