Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 12-09-2018

2018-09-12

Hoeden

betekenis & definitie

HOEDEN, (hoedde, heeft gehoed), beschermen, bewaren, bewaken: de Heer hoede en bescherme u; er lag een draak voor hei hol om den schat te hoeden;

— (inz. van vee) het bewaken, er op passen: schapen, vee, ganzen, eene kudde zwijnen hoeden;
— zich hoeden, zich wachten, zich in acht nemen: hoedt u voor de inblazingen der zonde; de schrijver moet zich in 't vervolg hoeden voor al te groote uitvoerigheid.