Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 12-09-2018

2018-09-12

Ho

betekenis & definitie

HO, tw. uitroep om iem. te doen ophouden, om een paard te doen stilstaan enz.: zeg maar „ho”, als ik moet uitscheiden (met schenken enz.); de voerman riep „ho!”, en het paard hield stil; ho, ho! hier overdrijf je;

— men moet geen ho! roepen, vóór men over de brug is; (ook) om de aandacht te trekken: ho, daar!; veerman ho!, als men wil overgehaald worden.