Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 12-09-2018

2018-09-12

Historie

betekenis & definitie

HISTORIE, v. (...riën, -s), geschiedenis, hetgeen gebeurd is, voorval: de Nederlandsche historiën werden beschreven door Hooft;

— (ook) het geregeld verhaal hetgeen eertijds is geschied: de vaderlandsche historie;
— de beschrijving van het leven van een mensch of dier, enz.: ik zal u zijne historie vertellen;
— de natuurlijke historie, de beschrijving der natuur en hare voortbrengselen (inz. plant- en dierkunde);
— een verdicht verhaal: de historie van Heintje de Vos; eene spookhistorie; wat er verder met hen gebeurde vermeldt de historie niet; hij heeft de heele historie verzonnen;
— het verleden: die zaak behoort al lang tot de historie;
— een geval: ‘t is eene rare historie; hij is de dupe van de historie; hij moet het gelag betalen; dat is me een historie.
HISTORIETJE, o. (-s), verhaaltje, verdichtseltje: een aardig historietje; vertel je mij historietjes?, liegt ge mij voor?