Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 12-09-2018

2018-09-12

Hiel

betekenis & definitie

HIEL, m. (-en), zeker lichaamsdeel, het achterste gedeelte van den voet stoot je hielen niet, gezegd tot een grooten lomperd;

— iem. op de hielen zitten, hem achterna zitten, (ook) hem aanzetten tot het werk, hem narijden;
— hij laat zijne hielen zien (of kijken), hij gaat op de vlucht;
— de hielen lichten, zich verwijderen de baas had nauwelijks de hielen gelicht, of de knechts zaten weer te luieren; (ook) er van doorgaan, vluchten de kassier heeft de hielen gelicht;
— zij (of hij) begint reeds naar haar zijn) hielen te zien, al aan een vrijer (of vrijster) te denken;
— (Zuidn.) met zijne teenen spelen tot vermaak van zijne hielen, volstrekt niets uitvoeren, den tijd verspillen
— dat is bij de hielen gewerkt, het is achteruit, achterop gewerkt
— met de hielen ergens heen gaan, met tegenzin, ongaarne;
— van iem. liever zijne hielen dan zijne teenen zien, hem liever zien gaan, dan zien komen
— dat deel van eene kous dat den hiel bedekt er is een gat in den hiel; breisters onderscheiden een groote hiel, een schuine kleine hiel, een rechte of Engelsche kleine hiel, enz.; een hieltje in eene kous maken; (evenzoo) van een laars (schoen enz.) een lapje op den hiel zetten; (gemeenz.) ik lap (of veeg) het achter mijn hielen, of ik plak het aan mijn hielen, die berisping trek ik mij niet aan, het kan mij niets schelen;
— (bij vergelijking) als benaming van uitsteeksels aan verschillende voorwerpen het hieltje van eene ham, van een schapenbout, het gedeelte bij het been hij kluift het hieltje van de ham, (fig.) zijn geld is bijna op;
— de hiel van een pijpekop, het uitstekende puntje bij den steel;
— de hiel van een geweer, het achterste bovengedeelte van de kolf;
— de hiel van een sabel, van een mes, het onderste deel van den rug van het lemmer, voorbij de draaiing;
— de hiel van een schip, het achterste gedeelte van de kiel, de hoek dien deze met den achtersteven maakt;
— de hiel van een mast, het achterste deel van den voet; de hiel van eene steng (op een schip), het onderste vierkante gedeelte van de steng, waarin de schijf loopt;
— de hiel van een dakspant, de schuine afsnijding aan het ondereinde daarvan;
— de hiel van een dijk, de lijn ontstaande door de snijding van de binnenglooiing met den grondslag, in tegenst. met den teen der buitenglooiing;
— (Zuidn.) het hielken van een brood, de eerste en laatste snede, het korstje, kapje; (ook) eene halve snede. HIELTJE, o. (-s).