Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 12-09-2018

2018-09-12

Heuvel

betekenis & definitie

HEUVEL, m. (-s, -en), eene geringe verheffing van den aardbodem, kleine berg Saul nu zat op eenen heuvel onder het geboomte; langs de helling der heuvelen;

— de stad der zeven heuvelen, Rome; (ook) eene door menschenhanden gemaakte verhevenheid aan het eind van den tuin was een heuvel met een koepel. HEUVELTJE, o. (-s).