Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 12-09-2018

2018-09-12

Heusch

betekenis & definitie

HEUSCH, bn. bw. (-er, meest -), hoffelijk, beleefd, welwillend, vriendelijk een heusch antwoord; heusche woorden; eene heusche behandeling; (ook) echt: kleine jongens met eene heusche sigaar in den mond; hij had nog nooit een heusch kasteel gezien;

— bw. op hoffelijke wijze ik werd er heusch ontvangen; (ook) werkelijk, echt het is heusch waar; ik heb het heusch niet gedaan.