Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 12-09-2018

2018-09-12

Het

betekenis & definitie

HET, ook `T, pers. vnw. 3de pers., o. enk. 1ste, 3de en 4de nv. het is uit; het zij zoo; het was op een Zondag; het moet gebeuren; waar is het ?; haar kind heeft honger, geef het een stuk brood; wie zal het doen ?; en de vogelen des hemels kwamen en aten het op; ik heb het niet noodig;

— ook om iets aan te duiden dat men niet nader kan of wil noemen het doet me daar zoo’n pijn; daar hebben we het; hij maakt het te bont; aldus onafscheidelijk verbonden met allerlei werkwoorden het aanleggen; het afleggen; het verliezen; het gewonnen geven; het moeten bezuren; het duur bekoopen; het besterven; het uithouden; het verdraaien; het er bij laten; het eens zijn met; het in het hoofd krijgen; het mis hebben; het voorzien hebben op; het maken, enz.;
— ook als onbepaald onderwerp der werking bij oneigenlijk onpers. ww. het verwondert mij; het gaat hun goed; het zal hem slecht vergaan;
— ook met volgenden verklarenden zin het verheugt mij, dat gij komt; het is niet goed, dat de mensch alleen zij; het is niet alles goud, wat er blinkt;
— als praedicaat (dikwijls zonder overeenstemming in geslacht met het onderwerp) het is een groot dier; het was een oude man; het zijn mijn kinderen; het waren moeilijke dagen;
— als aankondiger van het logische onderwerp van den zin (thans ongebruikelijk, behalve in enkele uitdrukkingen, en door het bw. er vervangen): het waren twee koningskinderen, die hadden elkander zoo lief; het zal vrede zijn; het was eb, vloed;
— onbep. vnw. (als onbepaald onderwerp der werking bij onpers. ww.) het dondert; het regent; het sneeuwt; het heeft gevroren; het waait hard; het lekt, enz.;
— bepalend lidw. (het o. van de): het vuur brandt; het nieuwe huis; op het land; over het water; van het begin tot het einde; met het grootste genoegen; men moet het goede doen en het kwade haten; dit is het mijne;
— (in bw. uitdr.) hij was er het eerst; wie van beiden is het grootst ?