Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 12-09-2018

2018-09-12

Herder

betekenis & definitie

HERDER, m. (-s), de bewaker of hoeder eener kudde, inz. eener kudde schapen koeherder, schaapherder; als de herder doolt, dolen de schapen;

— een goed herder zal de schapen wel scheren, maar niet villen, men moet niet het onderste uit de kan willen hebben; (fig.) de Heer is mijn herder, mij zal niets ontbreken; (van Christus) de goede Herder; (ook) geestelijke leidsman, priester, predikant: Christus heeft gegeven sommigen tot apostelen, en sommigen tot evangelisten, en sommigen tot herders en leeraars;
— gesticht van den goeden herder, gesticht voor afgedwaalde vrouwen en meisjes. HERDERTJE, o. (-s).