Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 12-09-2018

2018-09-12

Hemelheer

betekenis & definitie

1.

HEMELHEER, m.. Heer des hemels, God.
2.
HEMELHEER,
...HEIR, o. de engelenscharen;
...HOF, o. Gods hemelsch verblijf;
—, m. het paradijs, de hof van Eden.