Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 12-09-2018

2018-09-12

Helsch

betekenis & definitie

HELSCH, bn. bw. uit (of van) de hel: de helsche machten; in de helsche verdoemenis;

— eene helsche koude, zeer strenge koude;
— helsche pijnen, vreeselijke pijnen;
— helsche steen, (geneesk.) gesmolten en in staafjes gegoten salpeterzuur zilveroxyde, waarmede men ziek vleesch wegbrandt, wonden aanstrijkt, enz. (lapis infemalis);
— eene helsche machine, een met ontplofbare stoffen gevuld voorwerp, dat door middel van een uurwerk op een bepaalden tijd springt;
— duivelsch, afschuwelijk: een helsch plan;
— woedend, boos hij was er helsch over; hij werd helsch;
— bw. afschuwelijk, enz.: helsch liegen; `t is helsch koud. HELSCHHEID, v.