Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 12-09-2018

2018-09-12

Heks

betekenis & definitie

HEKS, v. (-en), eene vrouw die met tooverij omgaat, die in staat is anderen onheil te berokkenen die vrouw is eene heks; men moet eene ledige eierschaal breken, anders varen de heksen er op naar Engeland; het geloof aan heksen is de wereld nog niet uit; dat is heet, zei de heks, en zij werd verbrand; (ook) scheldwoord voor een oud wijf: zoo’n oude heks; (ook) vrouw die een demonischen invloed (door haar schoonheid enz.) uitoefent; (ook) meisje dat bijdehand of schalksch is eene heks van een meid; die kleine heks HEKSJE, o. (-s).