Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 12-09-2018

2018-09-12

Heil

betekenis & definitie

HEIL, o. welzijn, welvaart, voorspoed hij zorgt voor het heil van den staat; iem. veel heil en zegen wenschen, zegenwensch met Nieuwjaar;

— nut; tot heil der menschheid; moge het u tot heil strekken, heilzaam voor u zijn;
— voordeel, baat: daar is geen heil bij te halen; ik zie er geen heil in, ik verwacht van die handelwijze geen doeltreffende uitkomst;
— redding uit gevaar: hij zoekt zijn heil bij God;
— zijn heil in de vlucht zoeken, op de vlucht gaan;
— de kinderen moeten zelf hun heil maar zoeken, zelf maar zien, hoe zij zich vermaken, waar zij heen zullen gaan, enz.; ik moet mijn heil zoeken, (fig.) een onderkomen zoeken (gezegd van iem. die niet in zijn eigen woning kan zijn, omdat er niemand thuis is, omdat zijne kamer schoongemaakt wordt enz., en die nu tijdelijk naar elders moet gaan);
— geestelijk welzijn voor het heil zijner ziel zorgen; den weg des heils bewandelen, den weg die naar de eeuwige gelukzaligheid voert;
— dat wat redding brengt, toeverlaat: God is mijn heil;
— het leger des heils (Eng. Salvation Army), eene in 1878 te Londen door Booth gestichte, als een leger georganiseerde sekte, die zich ten doel stelt zondaren tot bekeering te brengen.