Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 12-09-2018

2018-09-12

Heidensch

betekenis & definitie

HEIDENSCH, bn. bw. van de heidenen, tot de heidenen behoorende, als de heidenen heidensche gebruiken; een heidensch volk; op heidensche wijze leven;

— (fig.) een heidensch geweld maken, 't was er een heidensch leven, een verschrikkelijk lawaai;
— dat was nog in mijn heidensche tijd, in den tijd toen ik nog wilde haren had, toen ik nog niet bezadigd leefde gelijk nu;
— `t is een heidensch weer, gemeen, slecht weer;
— iem. heidensch plagen, onbarmhartig;
— (ook in den naam van planten) heidensch wormkruid, zekere heideplant, guldenroede (solidago virgaurea).