Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 12-09-2018

2018-09-12

Heiden

betekenis & definitie

HEIDEN, m. (-en), die niet in den waren God gelooft en niet gedoopt is, ongeloovige (in tegenst. met Joden en Christenen) de afgoden der heidenen; de zending onder de heidenen:

— den heidenen prediken, het evangelie verkondigen onder de heidenen, (fig.) tevergeefs aan booswichten de deugd prediken;
— hij is aan de heidenen overgeleverd, hij is in de macht van personen die hem niet zullen ontzien, hij heeft het ergste te wachten;
— men moet niet scheiden als heidenen en Turken, gezegd als aansporing om tot afscheid nog een glaasje te drinken;
— (ook) iemand die in het Christendom is opgevoed, maar met het leerstellig geloof gebroken heeft, atheïst: hij is helaas geen Christen, maar een heiden;
— (-s), Zigeuner de heidens vertoonden zich in het begin der 15de eeuw voor het eerst in WestEuropa.