Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 12-09-2018

2018-09-12

Hei

betekenis & definitie

1. HEI v. (-en), een toestel waarmee men een zwaar blok naar boven hijscht en daarna laat neervallen op een paal die in den grond moet geslagen worden de Hollandsche hei, eene trekhei met stelling van losse palen; handhei, trekhei, klinkhei, stoomhei, zie die woorden;

— stamper der straatmakers;
— aan de hei werken, (fig.) zwaren arbeid verrichten;
— (oliesl.) de zware houten stamper die telkens door de wentelas wordt opgeheven en de olie uit het zaad slaat.
2. HEI, v. zie HEIDE.
3. HEI, tw. om de aandacht te trekken, hé hei! kom eens hier!; hei daar!; (ook) als uitroep van verwondering of schrik hei, dat is verkeerd; heila, niet zoo haastig; (ook) als uitroep van vreugde hei, ’t was in de Mei zoo blij; vgl. HEISA;
— 51 is altijd „hei” of „hij” met hem, hij valt altijd in uitersten;
— men moet geen hei roepen, voor men over den dam is, men moet niet te voorbarig, te overmoedig zijn;
— het is overal hei, het werk wordt overal geschorst.