Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 12-09-2018

Heet

betekenis & definitie

HEET, bn. (-er, -st), zeer warm een heet vuur; (fig.) voor een heet vuur staan, in moeilijke, gevaarlijke omstandigheden verkeeren; heete brij; een pannekoek, heet uit de pan, pas uit de pan;

— heet van den rooster; (fig.) pas gereed, versch;
— het is altijd te heet of te koud, het is nooit goed;
— op heete kolen staan (of zitten), (fig.) in onrust, in groote onzekerheid zijn en daardoor brandend van nieuwsgierigheid, zeer ongeduldig, volstrekt niet op zijn gemak;
— men moet het ijzer smeden, terwijl het heet is, men moet de goede gelegenheid, het juiste tijdstip gebruiken;
— een heete dag, een zeer warme zomerdag, (ook fig.) een dag waarop vinnig gevochten wordt, dag van een hevigen veldslag;
— (fig.) een heet gevecht, een vinnige strijd;
— heete tranen schreien (of storten), bitter weenen;
— (fig.) vurig, sterk een heete drift, heet bloed hebben, vurig, hartstochtelijk zijn;
— (ook met betrekking tot de geslachtsdrift) hitsig, geil: eene heete meid, een meisje dat manziek is;
— ergens heet op zijn, er eene sterke begeerte naar hebben, er verzot op zijn; hij is heet op vreemde postzegels, op het schaatsenrijden:
— een brandend gevoel veroorzakende de heete stralen der zon; heete peper; wat is die gember heet;
— versch, pas gebeurd op heeter daad betrapt worden, juist terwijl de daad bedreven wordt;
— heet van de naald, (van een kleedingstuk) pas gemaakt; (fig.) iets heet van de naald oververtellen, overbrieven, onverwijld, onmiddellijk;
— bw. op heete wijze, zeer warm: de zon brandde heet;
— het ging er heet toe, er werd hevig gevochten of gestreden.