Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 12-09-2018

2018-09-12

Heerschap

betekenis & definitie

HEERSCHAP, o. (-pen), (geringschattend) heer, mijnheer: wat denkt zo’n heerschap wel ?; wel heerschap, kunt ge me ook zeggen hoe laat het is ?, (gew.) de personen die boven ons staan, bij wie men dient, meester en meesteres mijn heerschap is niet thuis.