Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 12-09-2018

2018-09-12

Heerlijk

betekenis & definitie

HEERLIJK, bn. bw. (-er, -st), prachtig, schitterend, kostelijk: eene edelvrouw in een heerlijk gewaad; een heerlijk gebouw;

— uitmuntend, boven alles uitblinkend o Heer, hoe heerlijk is Uw naam, op de gansche aarde;
— verrukkelijk, aangenaam uw loon zal heerlijk zijn; een heerlijke zomeravond; ’t is heerlijk weer vandaag; heerlijke muziek;
— eene heerlijke verschijning, eene schoone vrouw of meisje;
— zeer smakelijk, lekker: een heerlijk maal;
— heerlijke wijn, vruchten;
— van den heer, den heer toekomende: heerlijke rechten (b. v. heerlijk jachtrecht, waardoor het den pachters verboden is het wild op hun grond te verdelgen); een heerlijk goed, eene heerlijkheid;
— bw. op heerlijke wijze, prachtig: zij was heerlijk getooid; verrukkelijk: ik heb heerlijk genoten; lekker dat smaakt heerlijk;
— (ter versterking van een bn.) zeer ’t is heerlijk mooi; heerlijk lekker.