Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 12-09-2018

2018-09-12

Heengaan

betekenis & definitie

HEENGAAN, (ging heen, is heengegaan), weggaan, vertrekken gaat ge nu reeds heen ?;

— sterven hij is van ons heengegaan;
— hij gaat er mee heen, hij zal aan die ziekte sterven;
— voorbijgaan, verloopen de heele zomer gaat er mee heen;
— (ook ter aanduiding van het begin eener handeling, vaak zonder dat er van gaan sprake is) hij ging heen en sloot de deur; je kijkt of het in orde is, en dan ga je heen en hecht de kous af;
— hij ging weer werken heen, begon weer te werken.