Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 12-09-2018

2018-09-12

Haver

betekenis & definitie

HAVER, v. zeker plantengeslacht (avena), behoorende tot de familie der grassen, eene bekende korensoort met groote, in pluimen vereenigde bloempakjes haver zaaien; de gewone haver (avena sativa), in verschillende verscheidenheden verbouwd dikke of brouwhaver, witte voerhaver, zwarte haver, zwarte presidentshaver, bonte haver, fijne Friesche haver, Probsteier haver enz.;

—kleine haver, een laag plantje op dorre hei- en zandgronden;
— wilde haver, een bekend onkruid in koren, oot (avena fatua);
— de vrucht van de haver, als voedsel; een mud haver; de paarden met haver voeren;
— de paarden die de haver verdienen, krijgen ze niet, die. het hardste werkt, wordt het minste beloond; (ook) ware verdienste blijft dikwijls onbeloond;
— de haver niet waard zijn, niet veel meer waard zijn (van versleten paarden, ook van oude menschen, soms van zaken)
— een paard lange haver geven, zweep, slagen geven;
— (Zuidn.) tem. zijn haver geven, hem berispen, vermanen; daarnaast ook korte haver geven (of krijgen), slaan (of geslagen worden): zij krijgt dikwijls korte haver van haar man;
— iem. kennen van haver tot gort (of tot klaver), geheel en al, door en door;
— iets van haver tot gort vertellen.