Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 12-09-2018

2018-09-12

Have

betekenis & definitie

HAVE, v. wat iemand bezit, eigendom, goederen groote have, groot goed, groote bezittingen; liggende have, onroerend goed; tilbare have, roerend goed, meubelen enz,; levende have, vee en huisdieren; (inz.) roerende goederen have en goed verliezen.