Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 12-09-2018

2018-09-12

Hauw

betekenis & definitie

HAUW, v. (-en), (plantk.) eene droge, overlangs openberstende vrucht, met twee kleppen, en een tusschenwand waaraan ter weerszijden de zaden zijn vastgehecht; gelede hauw, die door dwarse wanden in hokjes is verdeeld. HAUWTJE, o. (-s), eene hauw waarvan de lengte hoogstens tweemaal de breedte is; dubbel hauwtje, dat uit twee eenzadige, afgescheiden hokjes bestaat.