Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 12-09-2018

2018-09-12

Hatelijk

betekenis & definitie

HATELIJK, bn. bw. (-er, -st), haat opwekkende, waard gehaat te worden een hatelijk mensch;

— afkeer inboezemende, afschuwelijk: onrein en hatelijk gevogelte (Openb. 18 2);
— onaangenaam eene hatelijke zaak; het is hatelijk, als er op alles wat men zegt, wordt gevit;
— hatelijk worden, zijn, krenkende, grievende of vinnige opmerkingen maken; iemand iets hatelijks zeggen; iets in een hatelijk daglicht stellen.
HATELIJKHEID, v. het hatelijk zijn:
—, (...heden), iets hatelijks, iets wat onaangenaam of kwetsend is het was niet als eene hatelijkheid bedoeld;
— hatelijkheden debiteeren, kwetsende opmerkingen maken.