Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 12-09-2018

2018-09-12

Haringvanger

betekenis & definitie

HARINGVANGER, m. (-3), die op de haringvangst uitzeilt;

...VANGST, v. het visschen van de haring;
...VISCH, m. (...visschen), (nat. hist.) het geslacht van visschen, waartoe de gewone haring, de ansjovis, de sprot en de elft behooren;
...VISSCHER, m. (-s);
...VISSCHERIJ, v. haringvangst;
...VROUW, v. (-en), die haring verkoopt;
...WANT, o. haringnetten;
...WEER, v. (...weren), afsluiting om haring in te vangen.