Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 12-09-2018

2018-09-12

Harden

betekenis & definitie

HARDEN, (hardde, heeft gehard), hard maken staal harden, gloeiend staal plotseling afkoelen, om er eene grootere hardheid aan te geven;

— sterk maken, zoodat men overal tegen kan hij is gehard door weer en iwnd; hij heeft zich van jongs af aan gehard;
— uithouden hij kan het in die betrekking best harden;
— (gew.) hij kan het wel harden, het uitzingen, hij zit er goed bij, heeft geld;
— die felle koude is niet te harden, niet te verdragen; ‘t is hier niet te harden van de warmte. HARDING, v. (-en), het harden.