Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 12-09-2018

2018-09-12

Hap

betekenis & definitie

HAP, m. (-pen), de daad van happen, beet: een hap in iets doen; met één hap was het op;

— een afgehapt stuk hij nam een grooten hap uil den appel; er is een heele hap uit dat boek, er is een hoek uitgescheurd, het ziet er uit of er een hap uit genomen is;
— een mondvol: een hap brood; wilt ge een hapje meeëtenl
— (Zuidn.) bits, scherp woord: zij gaf hem een hap. HAPJE, o. (-s), een kleine hap; (ook) een slokje, een borrel: ik zal nog maar een hapje nemen;
— eene kleinigheid hij verdient er een hapje aan;
— (ironisch) een lief hapje, een deugniet;
— dat is ook geen hapje, niet iets aangenaams, geen begeerlijk baantje.