Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 12-09-2018

2018-09-12

Hannik

betekenis & definitie

HANNIK, m. (-ken), (gew.) lummel; (gew.) schreeuwend, kijflustig wijf; (gew.) tamme ekster; tamme kraai; Vlaamsche gaai, roetaard, (ook) zwarte kraai.