Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 12-09-2018

2018-09-12

Handvol

betekenis & definitie

HANDVOL, v. zooveel ais eene hand omvatten kan eene handvol noten, eene handvol zout; (diev.) hij kreeg eene handvol, 5 jaar gevangenisstraf;

— (fig.) eene geringe hoeveelheid eene handvol menschen; mv. handen vol: hij gooit het geld met handen vol weg; (gew.) handvollen: uw vader gaf u twee groote handvollen;
— met heele handvollen, met groote hoeveelheden;
— verkl. handjevol, zie aldaar; (gew.) handvolletje: ik kreeg maar een heel klein handvolletje.