Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 12-09-2018

2018-09-12

Handelshuis

betekenis & definitie

HANDELSHUIS, o. (...huizen), gevestigd huis dat-, firma die handel drijft; (ook) de personen die aan het hoofd daarvan staan;

...KAMER, v. (-s), kamer van koophandel;
...KANTOOR, o. (...toren), kantoor van een handelshuis;
...KENNIS, v. de kennis van waren en goederen, van de gebruiken bij koop en verkoop op de verschillende beurzen, van den loop der prijzen en koersen enz.;
...KLASSE, v. (-n);
...KREDIET, o. (-en), krediet ten behoeve van handelsondernemingen;
...KWEEKERIJ, V. (-en), kweekerij van bloemen, heesters enz. voor den verkoop in ’t groot.