Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 12-09-2018

2018-09-12

Handelen

betekenis & definitie

HANDELEN, (handelde, heeft gehandeld), doen hij weet niet hoe hij handelen zal; er moet gehandeld worden, er moet iets gedaan worden; in drift handelen;

— handelend optreden, met daden, metterdaad optreden; in iemands geest, op iemands last handelen; te goedertrouw. uit noodweer handelen;
— vrijheid van handelen hebben;
— (Zuidn.) slecht met iern. handelen, zich oneerlijk (ook onbehoorlijk) jegens iem. gedragen;
— zich gedragen slecht handelen; ge hebt braaf gehandeld; ik zal naar plicht en geweten handelen;
— iets behandelen, er over spreken de redenaar zal handelen over de sterrekunde; waarover handelt dat boek ?,
— over den vrede handelen;
— handel drijven, goederen koopen en verkoopen: hij handelt in lakens; onze firma handelt vooral op Engeland; (w. g.) iets handelen, het verhandelen, koopen of verkoopen hebt ge iets te handelen ?