Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 12-09-2018

2018-09-12

Halveeren

betekenis & definitie

HALVEEREN, (halveerde, heeft gehalveerd), m twee gelijke stukken deelen, middendoor snijden ik zal dien appel maar halveeren; (rek.) door twee deelen; den buit halveeren, met zijn tweeën deelen; een hoek, eene lijn halveeren;

— tot op de helft verminderen. HALVEERING. v. (-en).