Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 12-09-2018

2018-09-12

Halster

betekenis & definitie

HALSTER, m. (-s), de strik of strop waaraan het paard wordt geleid, aan de krib bevestigd enz.;

— lederen halsriem voor paarden: het paard bij den halster leiden;
— den halster afwerpen, afstrijken, zich van den halster ontdoen, bevrijden; (ook fig.) desertie plegen, overloopen; (ook) heimelijk de school verzuimen;
— (gew.) den kop door den halster hebben, van de grootste zwarigheden bevrijd zijn, die overwonnen hebben;
— (gew.) den halster aankrijgen, van zijne vrijheid beroofd raken, (ook) aan het verkeeren raken;
— geboortehalster.