Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 12-09-2018

2018-09-12

Halfje

betekenis & definitie

HALFJE, o. de helft: ik heb er een gulden voor betaald, maar je kunt het voor het halfje krijgen; ik wil het voor het halfje doen, voor de helft van wat een ander er voor vraagt;

—, (-s), een halve cent: ik doe alle halfjes die ik ontvang -in een spaarpot;
— een half glas (wijn, jenever enz.): als je geen heel meer hebben unit, laat ik je dan een halfje inschenken; aannemen nog een halfje;
— het is maar een halfje, het is niet al te best, het is maar ten deele goed.