Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 12-09-2018

2018-09-12

Halfhout

betekenis & definitie

HALFHOUT, o. (zeew.) wagenschot, dunne beplanking; (gew.) stuk gekloven hout, gekloven boomstam; (fig.) (w. g.) hij is zoo lomp als een halfhout, ’t is een lomperd.